10-07-2019

Jurist CNV Overheid driemaal redder in nood

In mei 2014 kreeg mevrouw X van haar werkgever te horen dat haar baan als educatief medewerker bij een kinderboerderij zou stoppen. Het was ontslag door reorganisatie, met alle bijbehorende rechten en plichten van de cao Provincies. Dat betekende onder andere afspraken over een werk-naar-werk-traject. Zo mocht X een opleiding volgen om terugkeer naar het basisonderwijs, waar zij eerder werkte, makkelijker te maken. Bovendien mocht zij onder werktijd invallen op een school voor het opdoen van relevante werkervaring.

Na vier maanden vond haar leidinggevende het welletjes met het werk-naar-werk-traject, ondanks dat hier volgens de cao een jaar voor stond. X kreeg ontslag per 1 januari 2015. Zij schakelde daarop een jurist van CNV in, die een procedure startte, mét succes. Het was net op het moment dat er een nieuwe cao van kracht werd, met een verruimd werk-naar-werk-traject van minimaal twee jaar. De werkgever realiseerde zich inmiddels dat X in haar recht stond. Het traject werd verlengd met 9 mei 2016 als nieuwe ontslagdatum.

Loopbaancoach

In maart, twee maanden voor haar ontslag, werd X door haar werkgever uitgenodigd voor een gesprek. Zij had nog geen nieuwe (vaste) baan gevonden, maar werkte wel als invaller in het basisonderwijs en was bovendien vanwege een ziekenhuisopname een tijdje uit de roulatie geweest. Als zij akkoord ging met een traject met een loopbaancoach werd haar dienstverband met een halfjaar verlengd tot 1 oktober. Uiteraard stemde zij in. Het leidde niet tot een vaste baan in het onderwijs, ook bleef het ontslagbesluit uit.

 

Ook dit keer trok de werkgever, na veel tegensputteren, aan het kortste eind.

 

Tegensputteren

Op 10 november kreeg X te horen dat het dienstverband per 1 januari 2017 zou stoppen, ondanks de beloofde opzegtermijn van drie maanden- die in de cao staat. De werkgever voelde zich daar niet aan gebonden. Opnieuw belde X met de jurist van CNV Overheid, die een tweede procedure startte. Ook dit keer trok de werkgever, na veel tegensputteren, aan het kortste eind. Uiteindelijk volgde na overleg ontslag per 10 februari. Dit na een dienstverband van bijna twintig jaar met, na enig oponthoud, een uitkering bij het UWV.

Als ex-werknemer van de overheid had zij ook nog recht op een bovenwettelijke (bovenop de WW) en nawettelijke (na afloop van de WW) uitkering. Daar ging het weer mis: de uitkering werd afgewezen. Als reden werd aangevoerd dat de WW-aanvraag in februari 2017 eerst niet was toegekend.

Terugvallen op uitkering

Weer wendde X zich tot CNV Overheid, maar de werkgever hield halsstarrig vast aan het genomen besluit. Bij de rechter keerde de werkgever uiteindelijk op zijn schreden terug. Deze ging toch akkoord met het eerdere voorstel van de jurist van CNV. Het gevolg is dat X recht heeft op een nawettelijke uitkering tot 2032, zolang zij geen nieuwe, vaste baan heeft. Natuurlijk hoopt zij zo weinig mogelijk gebruik te maken van die uitkering. ‘En zolang ik als invaller in het basisonderwijs werk, hoeft dat ook niet. Maar invallen betekent ook dat er soms geen inkomen is, bijvoorbeeld in de schoolvakanties. En op die momenten kan ik gelukkig terugvallen op een uitkering.’